cédric raskin

Brief aan Cédric Raskin over het plotse overlijden van Bernard Dewulf: ‘zienvoelen, een zeldzaam zintuig waarover ook jij beschikt’

11 januari 2022

Chaleureuze Cédric,

een zelfbedachte aanspreking die jou op het lijf is geschreven. Je bent echt een warme mens, Cédric, en niet alleen omdat je heel vaak met hoofd, lijf en leden in het swingende Zaragoza vertoeft. (Een omschrijving die ik plukte uit de wereldhit van Jimmy Frey, want zelf ben ik er nog niet geweest.) Die warmte geef jij door aan iedereen die graag geniet van kijken en lezen via www.cedricraskin.be. Een pareltje voor wie net als jij met verwondering door het leven wandelt. Ik citeer je heel graag: ‘Ik stap bewust langzaam, zo zie ik het meest. Dan vind ik waar ik niet naar zoek, ik laat me graag verrassen. Overal bloeien mooie verhalen, ik hou vooral van de kleinste. Ze geven me nieuwe inzichten en houden mijn glimlach vast. Zo ben ik als pelgrim altijd onderweg. Het blijft de mooiste metafoor in mijn leven.’ Je noemt je, volkomen terecht, ook avonturier in het kleine. Het is daarom onwaarschijnlijk oneerlijk dat jouw talent nog zo weinig wordt opgepikt. Waarom heb je nog geen dagelijks cursiefje op de frontpagina van een nationaal dagblad? Of een bladzijde in een gerenommeerd magazine? Knack, Humo, De Standaard, De Morgen, waar wachten jullie op? Misschien best eerst een stukje in Vrij Nederland. Dat zal binnenlandse uitgevers wel wakker schudden. Want neen, getalenteerdste lid van de Raskin-dynastie, ik zet je niet in de zeik. Dat zou oneer doen aan al jouw verhalen. Of je nu schrijft over een zwerver op zoek naar een vuilnisbakmaaltijd op de kermis of wanneer je oprecht verslag uitbrengt over jouw betrapping-op-heterdaad van pratende bomen, telkens trek je de lezer moeiteloos mee in jouw wonderlijke wereld. Dat doe je zeker ook met de warme woorden die je per nostalgische telegram deelt met je geliefde in Zaragoza. In sprankelend Spaans, want ook in die taal componeer je wondermooie verhalen.

Was jij ook zo aangegrepen door het plotse overlijden van Bernard Dewulf, Cédric? Ik denk dat het heengaan van de man die zo graag zag je helemaal ondersteboven heeft gegooid. Kan niet anders. Je mag me gerust een idioot noemen, maar ik denk dat de literaire lacune die hij achterlaat het best kan invullen. Jullie zijn talentgenoten en zielsverwanten. Echt waar. Hij wordt geroemd omwille van zijn zienvoelen, een zeldzaam zintuig waarover ook jij beschikt. Ik lees het niet alleen in je woorden, ik zie het ook aan jouw foto’s. Jouw focus doet me elke keer weer genieten. Zeker als je een medemens kiekt die met zijn broek op de enkels over een brievenbus hangt.  

En ja, zoals dat wel vaker gaat in een brief, ligt het zwaartepunt op het einde. Dit schrijven vormt daar geen uitzondering op. Op het gevaar af dat je nu zo kwaad wordt en me niet meer van antwoord wil dienen, slinger ik je zomaar een verwijt naar het hoofd. En neen, ik hou me niet in. Het is geen afgeweken bal, geen verdwaalde kogel of toevalstreffer. Ik mik, met mijn volle bewustzijn en zonder een druppel trappistenbier in mijn aderen, om jouw hoofd en hart vol te treffen. Hier komt-ie.

Ik mis kwaadheid in jouw verhalen, Cédric. Een scheut venijn, verdichte woede. Het zou jouw woorden nog een schone shot geven, een extra dimensie waarmee je prijzen pakt. ‘Is dat wel nodig?’, hoor ik je tot hier sussend denken. Ja, mijn schrijvende lotgenoot, dat is nodig. Want elke dag opnieuw toont de mens hoe graag hij zichzelf in de voet schiet en etaleert hij zoveel egoïsme dat het pijn doet aan de ogen. Het leed dat we elkaar dagelijks aandoen, hoe klein en verborgen ook, kan jij lospeuteren uit elk onooglijk hoekje om het dan met zoveel warmte en mededogen te beschrijven dat het als een spiegelscherf snijdt in ons geweten.    

Maak je eens godverdomme goed kwaad, Cédric, jij en jouw magistrale pen. Ik vraag je bij deze met het nodige gevoel voor urgentie om de pennenridder van het tegengif te worden, de verpersoonlijking van de weldadige wrok. Leg de lat van jouw ambitie in het zenit, drenk je pen in gramschap en maak er poëzie mee. De nationale media zal je niet meer durven negeren!

Ik kijk uit naar jouw wederwoord zoals ik ooit verlangde naar de columns van Bernard Dewulf op de frontpagina van De Morgen.

Warme omhelzing,

Johan

Antwoord van Cédric Raskin: ‘ Ik stond ooit met Bart De Wever in het scheve liftje van de fietserstunnel ‘

Beste – nee, goede Johan,

De inflatie dringt zelfs tot grote woorden door. Een gemeend adjectief draagt soms al meer betekenis dan zijn overtreffende trap.

Misschien is dit wel het begin van de opstand van het kleine. Grote gedachten hebben hun geloofwaardigheid verspeeld. Globalisering, supermachten en wereldpolitiek: ze klonken decennia geleden nog zo stoer, vandaag lopen ze vast in hun megalomane complexiteit. Stuk voor stuk geveld door een onnozel opgebold kroontje van nog geen 100 nanometer klein.

Verhalen op mensenmaat zijn niet alleen sterker maar ook veel schoner. En je kan er vanuit je kleine bubbel persoonlijk aan. Ga naar buiten, kijk even rond en je ziet ze overal. Dan kan je ze plukken, voorzichtig openleggen, er je warme handen in een beschermend kommetje rond plooien. En ze koesteren: de vriendelijke glimlach van iemand die je niet kent, een troostend woord zonder verdriet, een grappige gedachte of een lieve vreemde zin.

Ik zag hem graag terug, de man die zo graag zag. Wijze Bernard Dewulf. Gelukkig zijn dichters altijd dichter. Bij hun hart, het leven en de dood. Daarom zijn ze Sint-Pieter vaak te slim af. De woorden die ze zaaiden worden bloemen in gedachten waardoor poëten misschien niet eeuwig leven, maar toch veel langer dan 61 jaar. Vind je het ook zo mooi dat woorden aan betekenis winnen wanneer de schrijver ervan overlijdt? Als een dankjewelletje achteraf? Voorpaginanieuws gaat hoogstens één dag mee, uitgeknipte columns in een kartonnen kaftje doen je zelfs na 20 jaar nog glimlachen.

Natuurlijk kan ik met mijn kleine woordjes de grote leegte niet vullen die Bernard Dewulf achterliet. Maar het voelt inderdaad alsof we de wereld filteren vanuit eenzelfde blik. En draait het leven nu eenmaal niet om kadreren? Je doet het wanneer je een foto neemt of enkele zinnen schrijft. Een beeld verbindt afzonderlijke elementen die je, net voor het afdrukken, bewust wel of niet mee in de zoeker schuift. Neem je de geblutste brievenbus aan het kromme paaltje mee op? Wacht je tot het oude vrouwtje haar voet opheft zodat ze op één sandaal nog wankeler lijkt? Een fotograaf hoeft geen groot kunstenaar te zijn. Met wat observeren en kadreren kom je een heel eind.

Hetzelfde met schrijven. Je geeft in een verhaal een kader mee, lost enkel de details die ertoe doen. Het is aan de lezer om met wat verbeelding de puzzel te vervolledigen. Veel vertellers bouwen verhalen op zoals een beeldend kunstenaar een sculptuur maakt. Ze nemen uit hun hoofd een flinke kluit substantie, verzinnen lekker veel details en kneden die tot de juiste vorm. Ik werk liever zoals oude Grieken dat deden: ik zoek me een stevig blok graniet en kap daar al het overtollige van af zodat het grote telkens kleiner wordt en ik uiteindelijk enkel de essentie overhoud. Schoonheid. Ook dat is kadrering.

Kap, knip, kak, over naar kwaadheid. Zal ik je iets bekennen? Achter mijn zachte woorden schuilt een onderstroom van droeve woede. Ik schrijf het zelden luidop maar ik word diep vanbinnen vaak woest om onze collectieve blinde domheid. Om harde polarisering, stigmatisering en radicalisering, om zoveel racisme en egoïsme, om vervuilde oceanen tussen wij en zij, tussen zij en hij, tussen eruit en erbij.

Maar publiekelijk dure woorden schieten naar wie de perfide systemen staande houdt, is aandacht aan hen schenken. Vaak hebben de mediageile marionetten niets liever. Want al wat je aandacht schenkt, dat groeit, even snel als de vetkwabben in hun lelijke dikke nek. En extra lelijkheid gun ik hen niet. Ik steek in gedachten wel drie keer per dag mijn tong naar hen uit, maar focus me op papier op wat wél mooi is, en negeer de machtige clowns voor de rest. Kadreren, weet je wel. Misschien is zwijgen, bewust de andere kant opkijken, ook een vorm van stil protest.

Ik bedoel maar, het is moeilijk om tegen systemen te vechten. Nuttiger lijkt me oplossingen te zoeken om er als mensen samen mee om te gaan, meer zelfbewust en met meer respect. Net daarom deel ik liefst de kleine, warme anekdotes die in gedrag niet eens zo moeilijk te kopiëren zijn. Een grappig woord aan een verraste buschauffeur, een schouderklopje aan een persoon die ze anders maar laat hangen, het grote effect van een klein gebaar. Gewoon geven om elkaar, daar krijg je als mens vaak de mooiste verhalen voor terug.

Ik stond ooit met Bart De Wever in het scheve liftje van de fietserstunnel, hij flink in het zweet na een stevige jogging tijdens de werkuren. Ik leunde tegen de enige knoppen die werkten, drukte er geen in, hij keek me vragend aan, ik deed of ik hem niet zag. Ook wanneer hij me aansprak, een beetje grommend, bleef ik ongeïnteresseerd staan kijken naar de verroeste bel van mijn oude fiets. Het waren tien lange seconden die ik liet verstrijken voor ik quasi achteloos de startknop indrukte. Bewust niets doen heeft soms ook effect.

De klok deed niets bijzonders, de wijzer tikte door, na de maan kwam weer de oude zon. Toch werd het nieuwe jaar overal weer flink gevierd. Ik wens je mooie woorden toe dit jaar, Johan, goede gedachten en het warme plezier van kleine en grote gelukjes. Daarom klink ik graag mijn pen op die van jou. Op elke dag een nieuwe datum, op mooie verhalen om je heen en een klare blik om ze te herkennen.

En op Bernard Dewulf natuurlijk. Uiteraard.

Warme groeten uit Zaragoza,

Cédric

Contact wordt sterk aangemoedigd

Uiteraard zijn reacties zeer welkom. Meer nog, ze dienen als basis voor een nieuw (kort) verhaal. Noteer wat je goed, slecht of subliem vindt en wacht dan maar af. Het kan altijd even duren, maar het komt er zeker van!

2 Comments

  1. Goede – nee, beste Cédric en Johan,

    Enige twijfel was op zijn plaats om mijn reactie op jullie brieven op de blog te plaatsen. Ik voel me niet op mijn plaats tussen de gouden pennen die jullie zijn, maar omdat de uitnodiging tot reactie er in volle letters staat, laat ik me even gaan.
    Als gretige lezer van Bernard Dewulf voelde ik me al bij het lezen van de titel boven Johan’s brief betrokken bij jullie correspondentie. Ik deelde met Dewulf een admiratie voor Pierre Bonnard, en zijn columns in DS weekblad gingen niet aan mij voorbij.
    Ik hoef niet te reageren op het schrijven van Johan, want je deed het onmetelijk beter dan ik het ooit zou kunnen.
    Toch voel ik de drang om er wat aan toe te voegen. Johan brengt een prachtige ode aan je onmiskenbaar talent. In het tweede deel van zijn brief stelt hij je met goede bedoelingen voor de kern van je talent te miskennen ten gunste van een soort rendement. Vanuit commercieel oogpunt heeft hij een punt. Maar ik zou zeer verdrietig zijn moest je je laten meeslepen door de gedachte dat wat meer kwaadheid in je pen zou resulteren in meer opmerkzaamheid door uitgevers. Hieraan toegeven omwille van die aandacht zou het effect van een roesmiddel kunnen veroorzaken, waardoor je ongewild zou afdwalen van datgene wat je uniek maakt als auteur. ‘Kadrering tot schoonheid’ zoals je het prachtig verwoordt is zoveel sterker en bereikt niet enkel onze ogen of oren, maar rechtstreeks onze diepste gevoelens. Bovendien bevatten je schrijfsels iets wat ik intens bewonder bij jou en wat deze 21ste eeuw enorm mist : mildheid. Laat me het muzikaal verwoorden; je geschriften zijn geen vergankelijke hits, maar kunstzinnige symfonieën die de juiste dirigent moeten vinden.

    En om Bernard Dewulf in onze discussie te betrekken; jou “kadreren van schoonheid ” doet me denken aan de ‘gele vlek’ op een schilderij van Bonnard die de auteur in volgende passage beschrijft : “ Ik heb in Parijs op een tentoonstelling een vreemd geel vlekje gezien. Er draait een naakte vrouw in bad omheen. Beter gezegd, zijzelf zit stil , maar de verf waaruit zij bestaat lijkt haar in een wenteling te brengen. Het vlekje bevindt zich in het midden van de schilderij en staat daar, hoe quasinonchalant het ook is aangebracht, niet toevallig. Het prijkt op de flank van de vrouw, maar hoort niet echt bij de vrouw. Het hoort bij het schilderij. Het is het zelfbewuste middelpuntje ervan. … “ (Bernard Dewulf; Toewijdingen, verzamelde beschouwingen; 2014)

    Tot slot neem ik de vrijheid om een eigen gedichtje er aan toe te voegen waaraan jou brief me voor een deel herinnert.

    65+

    Terwijl de dagen gestadig wegebben
    wint artificiële intelligentie terrein op mijn brein.
    Terwijl racisme en cancel culture onze leefwereld verzieken
    (illusies zijn illusies en Don Quichote een dwaas), is het tijd.
    Is het tijd om mijn ziel te laten harmoniëren met mijn zijn.
    Tijd om me andere dingen te laten weggevallen.
    De sonates van Bach,
    het briesje in de lentezon,
    de ademtocht van ons poetje,
    de guitige snoet van kleine Siska,
    de blik in je ogen.

    horriblehorrix mei 2021

    • Jean-Pierre,
      heerlijk om ook van jouw poëtische schrijftalenten te mogen genieten. Het is inderdaad een noodzakelijke aanvulling en nuancering van mijn brief. Je hebt onze correspondentie verfijnd en vervolledigd. En blijf dichten, alsjeblief. Ik lees graag nog heel veel meer.

      Warme groet,
      Johan

Een reactie achterlaten op Johan Van RooyCancel Reply